Traceerbaarheid en markering bij EN 1090: van staal naar onderdeel
Traceerbaarheid betekent dat je bij elk onderdeel in een constructie kunt terugvinden welk materiaal, welke las en welke controle erbij horen. Bij EN 1090 is dat geen luxe maar onderdeel van je FPC-systeem. Zonder traceerbaarheid kun je bij een afkeur niet bepalen welke andere onderdelen ook geraakt zijn.
De markering is het fysieke deel: een nummer, label of stempel op het onderdeel dat het koppelt aan je registratie. Volgens Bouwen met Staal toetst een aangemelde instantie je FPC-systeem voordat je mag CE-markeren. Traceerbaarheid is een onderdeel van dat systeem. De eisen zelf staan in EN 1090-2 en je controleert ze daar.
Kort antwoord: elk onderdeel krijgt een uniek nummer, dat koppelt aan het materiaalcertificaat, de WPS, de lasser en de controles. Zonder die keten is je traceerbaarheid niet te bewijzen.
Wat moet je kunnen terugvinden?
Stel je een stalen liggerconstructie voor met twintig onderdelen. Er blijkt een scheur in één ligger. De vraag is dan: welke partij staal was het, wie heeft gelast, met welke WPS, en welke controles zijn gedaan? Als je dat in een kwartier kunt beantwoorden, heb je goede traceerbaarheid.
De keten bestaat uit vier schakels:
| Schakel | Wat je vastlegt | Waar het staat |
|---|---|---|
| Materiaal | Partij of smeltnummer en het 3.1-certificaat | Materiaalcertificaat 3.1 |
| Proces | WPS en lasmethode | WPS voorbeeld |
| Mens | Lasser en zijn kwalificatie | Lassercertificaat |
| Controle | Hold points en registraties | ITP |
Het gaat om de koppeling tussen de schakels, niet alleen om de losse documenten. Een perfect certificaat zonder koppeling aan het onderdeel is in de praktijk weinig waard.
Voorbeeld: traceerbaarheidsregistratie
Onderstaand voorbeeld is fictief. Het laat zien hoe je één onderdeel van een kolom terugvindt in je systeem. Je gebruikt een uniek onderdeelnummer dat op het stuk staat.
| Onderdeelnummer | Materiaal (smelt) | Certificaat | WPS | Lasser | Controle | Datum |
|---|---|---|---|---|---|---|
| K-014-03 | 4471-A | 3.1 nr. 2026-0481 | WPS-01 rev. 2 | J. de Vries | ITP-05, visueel OK | 12 maart 2026 |
| K-014-04 | 4471-A | 3.1 nr. 2026-0481 | WPS-01 rev. 2 | M. Jansen | ITP-05, visueel OK | 12 maart 2026 |
| K-015-01 | 4472-B | 3.1 nr. 2026-0493 | WPS-02 | J. de Vries | ITP-06, NDO OK | 14 maart 2026 |
Met deze tabel kun je in één opzoeking vinden welke partij en welke lasser bij een onderdeel horen. Bij een afkeur van smelt 4471-A kun je zo alle onderdelen vinden die dat materiaal gebruikten.
Hoe markeer je onderdelen?
Markeren doe je zo dat de markering het hele traject overleeft: van de werkplaats tot de montage. Een stempel is duurzamer dan een sticker, en een label kan tijdens het verven verdwijnen. Kies de methode die bij je materiaal en je coating past.
Een markering bevat in elk geval een uniek nummer. Veel bedrijven voegen het partijnummer toe. De precieze inhoud van de markering staat in je FPC-procedure, en die procedure hoort bij je certificaat.
Bepaal de markeringsmethode
Kies stempel, label of inscriptie, afhankelijk van materiaal en coating. Leg de keuze vast in je FPC.
Geef elk onderdeel een uniek nummer
Het nummer koppel je aan de werkorder en het projectdossier. Gebruik geen nummers die dubbel kunnen voorkomen tussen projecten.
Zet de markering vóór de eerste bewerking
Markeer het materiaal voordat je het zaagt of boort. Na het zagen is het materiaal vaak niet meer aan één partij te koppelen.
Leg de koppeling vast
Noteer het onderdeelnummer naast het partijnummer, het certificaat en de WPS. Dit is de registratie die de auditor opvraagt.
Controleer de markering bij de eindcontrole
Kijk of de markering nog leesbaar is en of hij overeenkomt met de registratie. Een onleesbare markering is een bevinding.
Wat wil de auditor zien?
De auditor kiest een onderdeel en vraagt de keten te volgen. Hij loopt van de markering naar het materiaalcertificaat, naar de WPS, naar de lasser en naar de controles. Lukt dat niet in een paar minuten, dan is de traceerbaarheid zwak.
Hij let ook op de scheiding tussen materialen. Als staal van twee partijen in dezelfde opslag staat zonder markering, kan hij niet bewijzen welke partij waar is gebruikt.
Veelgemaakte fouten
Markering na het zagen. Een stuk zonder markering is na het zagen moeilijk te herleiden. Markeer het materiaal eerst.
Nummers die dubbel voorkomen. Twee onderdelen met hetzelfde nummer in twee projecten maken de registratie onbruikbaar.
Registratie in een apart systeem zonder koppeling. Als de werkorder en het certificaat niet naar elkaar verwijzen, moet de auditor het zelf uitzoeken. Dat is een bevinding.
Markering die verdwijnt bij coating. Test de methode met je coating. Een label dat afbladdert na het verzinken, helpt niemand.
Veelgestelde vragen over traceerbaarheid
Moet ik elk stuk staal markeren?
Dat hangt af van de executieklasse en van de eisen in de norm en in de projectspecificatie. Vraag je notified body welke markering zij verwachten, en leg de keuze vast in je FPC.
Mag ik de markering weghalen na de montage?
Dat hangt af van de afspraken. Vaak blijft de markering op het onderdeel zitten, zodat het later terug te vinden is. Bespreek het met de opdrachtgever voordat je hem verwijdert.
Hoe lang moet ik de registratie bewaren?
Reken op minimaal tien jaar. Volgens artikel 11 van de Bouwproductenverordening bewaart de fabrikant de technische documentatie en de prestatieverklaring tien jaar na het in de handel brengen. Afspraken met de opdrachtgever kunnen een langere termijn vragen.
Wat is het verschil met de CE-markering?
De CE-markering is het label op het product dat naar de prestatieverklaring verwijst. De traceerbaarheidsmarkering is de interne koppeling van een onderdeel aan je registratie. Ze hebben een ander doel, maar hangen samen. Zie de pagina over CE-markering en DoP.
Meer lezen
- FPC-systeem voor EN 1090 waar de traceerbaarheid in past
- Materiaalcertificaat 3.1 bij EN 1090 voor het materiaal
- Inspectie- en testplan voor EN 1090 voor de controles
- CE-markering en DoP bij EN 1090 voor het label op het product